Home Nieuws Beplanting Geschiedenis Arboretum Vrienden Bestuur  
Beplanting/Bomen/Cedrus deodara
Bomen
Heesters
Kruiden
Terug

Cedrus deodara

- Himalayaceder -

De Himalayaceder of deodar is een conifeer uit de familie van de dennen (Pinaceae).
Er zijn vijf Ceders, maar de biologen twisten met elkaar, hoeveel daarvan soorten zijn en hoeveel ondersoorten. Volgens sommigen is er maar 1 echte soort: de Libanonceder met 5 ondersoorten.

Wij gaan uit van twee soorten.

Cedrus deodara = Himalayaceder.
Inheems in de Westelijke Himalaya (Pakistan, Afghanistan, India, Nepal, China). Naalden helder groen tot licht blauwgrijs groen, 25-60 mm lang, met 30 bijeen. Licht geribbelde kegels met schubben.
De Himalayaceder groeit op 1000-3500 meter boven zee en wordt normaal gesproken ongeveer 50 meter hoog; er zijn ook exemplaren gezien van 60 meter. De mannelijke katjes zijn banaanvormig, de vrouwelijke kegels zijn blauwgroen en eivormig. De kleine zaadjes voorzien van een papierachtige vleugel komen pas na twee jaar los. De stam is donkerbruin tot zwart en glad.

Cedrus libani = Libanonceder.
Inheems in de bergen van het Middellandse Zeegebied (in het oosten Turkije, Syrie, Libanon, Cyprus; in het westen het Atlasgebergte in Marokko en Algerije). Naalden donkergroen tot zeegroen 8-25 mm lang. Kegels met gladde schubben.

Ecologie
Ceders zijn aangepast aan het bergachtige klimaat, in de Middellandse Zee komt de neerslag in de winter vooral als sneeuw, terwijl dat in de westelijke Himalaya in de eerste plaats regen is in de vorm van zomermoesson.

Libanonceders zijn erg populaire sierbomen; in menig particulier tuintje staat er een en meestal wordt hij in de loop der tijd veel te groot, maar de bezitters houden er blijkbaar erg van, want ze blijven staan. De Himalayaceder zie je bij ons minder, maar in de Andes in Bolivia en de Zuidalpen in Nieuw-Zeeland doet hij het prima.

Etymologie
Zowel de Latijnse woorden cedrus en de wetenschappelijke geslachtsnaam Cedrus zijn afgeleid van het Oudgriekse kedros = rook- of reukhout. Oorspronkelijk bedoelden de Grieken daarmee de jeneverbes (Juniperus); later gebruikten ze dat woord ook voor de Libanonceder vanwege de overeenkomstige geur. Pas rond het jaar 1000 na Christus wordt de Latijnse aanduiding Cedrus beperkt tot de ceder.
Na 1700 is de term "ceder" toegepast op vele andere bomen met geurende hout; iets wat zou moeten worden ontmoedigd.
De soortaanduiding "deodara" is de Indiaase naam van de boom, komt van devadaru in het Sanskriet, de oertaal van alle Indo-Europese talen en betekent: goddelijk, net als divinus in het Latijn en divine in het Engels. De naam is gegeven door David Don in 1830, een Engelse plantenverzamelaar die vooral in Nepal heeft gewerkt en die 1300 (!) planten van een naam heeft voorzien. Alhoewel hij dacht met een den (Pinus) te doen te hebben. Zijn vader George Don (ook soortenjager, maar dan in vooral Zuid Amerika) heeft al in 1842 gezien dat het een ceder was.

Gebruik van het hout.
Cederhout is niet alleen geurende, maar heeft ook een mooie kleur en korrel en werd in de oudheid al gebruikt voor representatieve gebouwen: de bijbel noemt cederhout 75 keer waaronder de tempel van Solomon en Homerus verhaalt in de Ilias van de schatkamers van koning Priamus. Dan gaat het om de Libanonceder, maar ook in India is het gebruik van hout van de Himalayaceder als bouwmateriaal voor tempels verbreid. De befaamde woonboten van Kashmir en noord India zijn ook gemaakt van de deodar.
Hout van bomen met vergelijkbare namen zoals Western Red Cedar uit Californie (Thuja plicata) of de Eastern Red Cedar (Juniperus virgineana) wordt vaak verward met echte ceder.

Gebruik van de olie.
Olie van de Himalayaceder is geel- tot roodbruin, lichter dan die van de Atlasceder (Cedrus libani subsp. atlanticus). De geur is pissig, vermengd met citrus en soms zelfs wat cassis; gedroogd ruikt hout naar narcissen. De olie wordt gebruikt tegen wormen en om hoeven van rijdieren in te smeren tegen lastige insecten. Het is schimmel- en motwerend, wat in de voorraadkamers van de tempels en paleizen goed van pas kwam. Sommige processierupsen kunnen er blijkbaar wel tegen, want ze gebruiken de deodar als voedselplant.

Cultivars.
Van de Himalayaceder bestaan een behoorlijk aantal verschillende cultivars.
"Argentea" groeit snel en heeft een blauwgrijze waas over de naalden.
"Aurea" of gouden Himalayaceder. In 2009 in de tuin geplant. In tegenstelling tot de wilde boom, wordt deze cultivar hooguit 5-9 meter hoog. De naalden zijn geelgroen gekleurd en zijn nogal slap. Bij de grote renovatie is deze vervangen door een gewone Hymalayaceder.
"Pendula" heeft hangende takken en wordt maar 3 meter hoog.
"Shalimar" en "Kashmir" kunnen wel 30 graden vorst verdragen.
"Pygmee" is blauwgroen en is bijna kruipend.