Home Nieuws Beplanting Geschiedenis Arboretum Vrienden Bestuur  
Beplanting/Bomen/Ostrya carpinifolia
Bomen
Heesters
Kruiden
Terug

Ostrya carpinifolia

- Europese hopbeuk -

De Europese hopbeuk (Ostrya carpinifolia) is een plant uit de berkenfamilie(Betulaceae). De soort is afkomstig uit het zuiden van Europa en Anatolie. De boom wordt tot 15 m hoog. De plant heeft een ronde kroon en een grijze stam. De bladbasis is meestal rond. De vruchtjes zijn ovaal. Het uiteinde ervan is met haartjes bedekt.

Naamgeving
De geslachtsnaam Ostrya is zowel de Griekse als de Romeinse aanduiding van de Europese hopbeuk. Er is een verwantschap met het woord oester. Het hout van de hopbeuk en de schaal van de oester zijn beide erg hard. De soortaanduiding "carpinifolia" betekent "met bladeren als van de haagbeuk" De bladeren lijken erg op die van de haagbeuk (Carpinus betulus).
De Nederlandse naam hopbeuk verwijst enerzijds naar de vrouwelijke vruchtbellen, die wel iets weg hebben van die van de hop (Humulus lupulus). Anderzijds lijkt de boom zelf ook op de beuk (en de haagbeuk). Ter onderscheiding van de andere soorten uit het geslacht, wordt deze soort de Europese genoemd, omdat hij vooral in (zuid-) Europa in het wild voorkomt. Andere soorten van het geslacht zijn de Oost-Amerikaanse (O.virginiana) en de Japanse hopbeuk (O.japonica).
De auteur van de naam is Giovanni Antonio Scopoli (1723-1788). Hij was een Italiaanse arts en bioloog. Een groot deel van zijn tijd besteedde Scopoli aan het verzamelen van planten en insecten in de Alpen. Hij publiceerde de geldige naam Ostrya carpinifolia in zijn boek Anni Historico-Naturales in 1772.

Habitus.
De Europese hopbeuk is een zomergroene loofboom van rond de 15 m hoog; een enkele keer 20 m. met een stamdiameter van 50 cm. Typisch voor de hopbeuk is de kroon die heel laag aangezet is. Jong is de boomkroon meer kegelvormig, later meer open. Het is een snelle groeier, maar wordt zelden ouder dan 100 jaar.

Stam.
De schors is bij jonge bomen glad en grijs tot bruingrijs; later wordt die diepbruin en vertoont rechthoekige platen. Onder de afbrokkelende platen zijn oranjebruine vlekken zichtbaar.

Knoppen en bladeren
De knoppen zijn spits kegelvormig en afstaand. Ze zijn groen met bruine vlekken, glanzend en kleverig. De twijgen zijn roodbruin tot bruin en sterk behaard met oranje lenticellen.
De bladeren staan afwisselend aan de twijg en zijn langwerpig eirond. De bladsteel is 5-8 mm lang en zacht behaard. De bladschijf is 7-9 cm lang en 3-5 cm breed. De grootste breedte is in de onderste helft. De bladbasis is afgeknot tot afgerond of licht hartvormig en meestal asymetrisch. Spitse punt. De bladrand is scherp dubbelgezaagd. De tanden zijn naar de top toe steeds krommer en bij de rand licht omgerold. Aan iedere zijde van de bladspil zitten 14-16 zijnerven, die in tegenstelling met de haagbeuk, zelf ook weer duidelijk zijnerfjes hebben.
De bovenkant van het blad is glanzend donkergroen, nagenoeg kaal en zonder klieren. De onderkant is heldergroen en -vooral bij jonge bladeren- dicht met ongesteelde klieren bezet. De nerven aan de onderkant zijn met stijve aanliggende haartjes bezet. In de herfst verkleuren de bladeren geel.

Bloemen en vruchten.
De hopbeuk heeft mannelijke en vrouwelijke bloemen op dezelfde boom.
De mannelijke bloeiwijzen verschijnen al in de herfst en overwinteren in gesloten toestand. In de bloeitijd april/mei groeien de katjes uit tot een lengte van 6-8 cm en zijn dan 4-6 mm breed. De dekblaadjes zijn ongeveer 3 mm lang, bleekgroen, dicht gewimperd en hebben een roodbruine spits. Iedere bloem heeft 4-6 meeldraden, niet of nauwelijks onder het dekblad uitkomend. De helmdraden zijn tweedelig, de helmknoppen hebben een haarschub.
De vrouwelijke katjes zijn 4-6 cm lang, zitten aan het eind van de twijgen en zitten vol bloemen. Voor de bloei staan ze rechtop, daarna hangen ze. De bloemen hebben een minuscuul bloemdek, maar zijn wel door een soort zakje omgeven. De bloemen staan met zn tweeen in de oksel van opvallende schutbladeren. De bestuiving geschiedt door de wind.
De vruchtbellen van de hopbeuk lijken op die van de hop. Ze zijn nap- tot eivormig, tot 6 cm lang en tot 3 cm dik. Het omhulsel van de vrucht is dicht behaard, aanvankelijk plat en geelwit, later opgeblazen en bruin. In de omhulling bevindt zich een bruin en glanzend nootje, dat tussen augustus en oktober rijpt.

Verspreiding
Het areaal van de Europese hopbeuk omvat grote delen van het Middellandse zeegebied en de zuidkant van de Alpen. In Klein-Azie komt de soort voor in het Taurusgebergte en Libanon.
Het voorkomen in de zuidelijke Alpen kan verklaard worden als het resultaat van een invasie na de laatste ijstijd. Met de klimaatopwarming kan de soort verder noordwaarts oprukken. In Zuid-Europa kwam de soort vroeger meer voor, de teruggang daar wordt toegeschreven aan overmatige kap.

Ecologie.
De hopbeuk is een (sub-)mediterrane soort. De boom heeft behoefte aan warme zomers en milde winters en veel regen. Ze komt voor in gebieden met een gemiddelde jaartemperatuur van 12,5 tot 15,5 15,5 graden Celsius en een gemiddelde neerslag van 1200-1450 mm per jaar.
Het liefst groeit ze op stenige kalkrijke (maar ook op silicaat) hellingen. Aan de noordrand van haar verspreidingsgebied, in Midden-Europa, geeft ze de voorkeur voor drogere zuidhellingen op kalk tot een hoogte van 1300 m.

Gebruik.
Hopbeukenhout is geschikt als brandhout en als houtskool. Het laat zich goed bewerken en is slijtvast.
Als sierboom komt ze in onze streken alleen in een paar grote particuliere tuinen voor.

In Hoogvliet.
In het Arboretum Hoogvliet is op 25 maart 2015 een exemplaar geplant, geschonken door de Bomenridders bij gelegenheid van de 80e verjaardag van oud-voorzitter Jeanne van der Velde.
Als herdenkingsboom is hij bij de grote renovatie van 2020-2021 gespaard en elders op de tuin herplant.
De fotos bij dit artikel zijn in september 2014 genomen in de Jardin des Plantes in Montpellier.