Home Nieuws Beplanting Geschiedenis Arboretum Vrienden Bestuur  
Beplanting/Bomen/Carpinus orientalis
Bomen
Heesters
Kruiden
Terug

Carpinus orientalis

- Oosterse haagbeuk -

Carpinus orientalis(Oosterse haagbeuk)is een kleine boom uit de berkenfamilie (Betulaceae), waartoe ook de hazelaars, de elzen en uiteraard de berken horen.

De 30-40 soorten van het geslacht Carpinus zijn verspreid over de gematigde zones van het noordelijk halfrond. De meeste soorten komen voor in oost Azie, vooral in China. Slechts twee soorten zijn inheems in Europa : de Europese (Carpinus betulus) en de Oosterse haagbeuk (Carpinus orientalis) en een in Noord-Amerika: de Amerikaanse haagbeuk (Carpinus caroliniara).

Beschrijving.
De Oosterse haagbeuk is inheems van Sicilie en noordoost Italie tot Iran op hete, droge plaatsen en op lagere hoogten dan de Europese. De boom is kleiner; ze meet zelden meer dan 6 meter en blijft vaak zelfs struikachtig. Ze heeft ook kleinere bladeren, 3-5 cm lang. De zaden hebben een enkelvoudige schutblad, dus niet drielippig, die ongeveer 2 cm lang wordt.
De bomen zijn bladverliezend. De bladeren zijn afwisselend geplaatst, hebben een getande rand, en zijn 3 - 10 cm lang. De bloemen zijn door de wind bestoven katjes, die in april- mei verschijnen. De mannelijke en vrouwelijke bloemen komen aan verschillende katjes voor, maar wel aan eenzelfde boom.
De vruchten hebben de vorm van een klein nootje van 3-6 mm lang. De asymmetrische vorm van de zaadjes zorgt voor een ronddraaiend effect wanneer ze vallen. Dit zorgt bij wind voor een grotere verspreiding.

Het hout van de haagbeuk is erg hard, maar wordt niet veel gebruikt omdat ze moeilijk te bewerken is. Ze wordt wel gebruikt voor handvatten van gereedschap, houten wielen en andere toepassingen waar een taaie, harde houtsoort vereist is.

Naamgeving.
De botanische geslachtsnaam Carpinus is de naam waaronder de boom bij de Romeinen al bekend stond en die door Linneaus is overgenomen. Er kan verband zijn met het Latijnse werkwoord carpere, wat wij kennen van de uitdrukking Carpe diem! = Pluk de dag!, maar een bredere betekenis heeft van (herhaaldelijk) kappen tot aan sarren toe: een boom die je vaak kunt snoeien zonder dat ie zich er wat van aantrekt.

De soortaanduiding orientalis betekent: oosters, uit het oosten, oostelijk. De soort is het eerst geldig beschreven door Philip Miller. Deze Schot was decennia lang hoofdtuinman van de Chelsea Physic Garden, die hij tot de beste tuin ter wereld opstootte. In 1768 bescheef hij de oosterse haagbeuk in de vijfde edities van zijn Woordenboek van de Tuinier, waarin hij zich bekeerde tot het binominale systeem van Linnaeus, waar hij zich in eerdere edities (vanaf 1724) een tegenstander van had betoond.

De Nederlandse naam haagbeuk is eigenlijk dezelfde als de Duitse Hainbuche, wat doet vermoeden, dat men de boom qua uiterlijk op een beuk vond lijken en vooral gebruikt werd als afrastering of windvang. Vervelend is, dat echte beuken (Fagus) ook gebruikt worden als heg, maar dan zijn het daarom nog geen haagbeuken. Een andere Nederlandse naam die door de vertalers van Millers Tuinwoordenboek, Adriaan van Royen en Jacob van Eems in 1745 wordt gebruikt is Wielboom, maar die is behalve misschien in kruiswoordpuzzels, in onbruik geraakt.
De Engelse naam voor dit geslacht, "hornbeam", is afgeleid van de hardheid van het hout, via horn = hoorn en het Oudengelse beam = boom/ balk.

In Hoogvliet.
De drie exemplaren die op het Arboretum staan, zijn daar geplant in 2021 na de grote renovatie. Daarvoor stonden er twee. Het eerste exemplaar is daar geplant in 2009 en had in 2012 een stamomvang van 25 cm en een hoogte van 4,5 meter.
In 2013 is een tweede exemplaar, vlak bij de eerste neergezet. De herkomst is onbekend, waarschijnlijk uit een Rotterdams plantsoen dat geruimd moest worden. Erg gezond zag hij niet uit.